Op een mooie plek in Dalen woont de hoofdpersoon van dit dorpsportret, Roelof Beek (82 jaar), samen met zijn vrouw Yt. En wat ook zo mooi is, laat Roelof ons zien: de woning is toekomstbestendig. Een jaar of vijf geleden is er met hulp van hun zoon Michel, die architect is, een uitbreiding aangebouwd, met een slaap- en badkamer. Voorlopig kunnen ze prima op deze mooie plek blijven wonen!
Uit wat voor gezin kom je?
“Ik ben geboren en opgegroeid in Westerbork. Ik heb een zus die vier jaar ouder is. Mijn vader had een kolenhandel. Hij was timmerman, hij heeft ook het ouderlijk huis gebouwd. Naast zijn werk als timmerman was hij hulpbesteller bij de post. Wij haalden ook eieren op in de omgeving, die werden eens per week bij ons opgehaald door een eierhandelaar. In de zomer werden de kolen geleverd en mijn moeder en ik hielpen de leverancier dan altijd mee met de aflevering bij de klanten. Dat was zwaar werk, het sjouwen met zakken kolen. Ik denk dat ik daar een slechte rug aan heb overgehouden. Ik heb goede herinneringen aan mijn jeugd. We hadden het niet breed, het was geen vetpot. Op zaterdagavond kwamen er doppinda’s op tafel en dan gingen we met zijn vieren jokeren.
Mijn moeder was een sterke vrouw. Ik heb mijn hele leven bewondering voor haar gehad. Ze had zeker wel een zachte kant, maar ze was ook strikt en consequent. Dat strikte zat bij haar in de familie. Moeder was thuis de dragende kracht. Mijn vader had een andere persoonlijkheid. Hij was zachtaardig. Hij kon wel zenuwachtig zijn, bijvoorbeeld toen hij op latere leeftijd leerde autorijden, was hij ziek van de zenuwen voor het rijexamen.
Mijn moeder was vrijzinnig-hervormd. Mijn vader was niet gelovig, maar ging nu en dan mee naar de kerk. Tot hij op een keer zag dat een man die zijn kolen kocht bij een gereformeerde kolenboer, in de ouderlingenbank in de Hervormde kerk zat. Mijn vader vond dat niet kunnen. Hij ging daarna nooit meer naar de kerk. Het was gebruikelijk om rekening te houden met het geloof van winkeliers en als je zelf een zaak had moest je de klanten rechtvaardig behandelen. Zo waren er in het dorp drie bakkers die bij ons kolen kochten, dus wij kochten brood bij alle drie.
In Westerbork zat ik op de lagere school en daarna op de ulo. Ik wilde na de lagere school niet naar de hbs, want hoewel ik goed overweg kon met kinderen die naar de hbs gingen, voelde ik me daar toch niet echt thuis. In mijn beleving was de hbs vooral voor kinderen uit de wat ‘hogere’ milieus en daar hoorde ik niet echt bij.”
Lijk je meer op je vader of op je moeder?
“Ik lijk het meest op mijn moeder. Dat strikte, zo van dit mag wel en dat mag niet, had ik ook. Daar heb ik later ook wel last van gehad, bij de opvoeding van onze kinderen. Niet ieder kind kan goed tegen een strenge opvoeder. Gelukkig was Yt soepeler dan ik en zij kon goed bemiddelen.”
Mocht je zelf kiezen wat je wilde worden?
“Als jong kind wilde ik kapitein op een schip worden. Een oom van moederskant was kapitein op de Holland-Amerika Lijn en dat leek me heel mooi. Maar dat ging over. Ik heb tot mijn 18e veel jeugdwerk gedaan bij de VCJC (Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale). Mijn zus ging naar de kweekschool en ik besloot ook het onderwijs in te gaan. Dus na de ulo ging ik naar de kweekschool. Mijn ouders waren principieel: ik mocht niet naar de hervormde kweekschool in Assen, maar net als mijn zus moest ik naar een school voor alle gezindten. Dat werd de Rijkskweekschool in Coevorden. Ik ging met de bus naar Coevorden. De opleiding duurde vijf jaar als je instroomde vanaf de ulo en drie jaar als je instroomde vanaf de hbs en de mms.
Na mijn studie moest ik in militaire dienst. Ik werd geplaatst in Apeldoorn, bij de marechaussee. Dat vond ik helemaal niet leuk, want je was een soort politie voor militairen. We deden bijvoorbeeld lift- en treinpatrouilles. Militairen mochten niet liften en ze moesten in vol uniform reizen. Als ik iemand betrapte die in overtreding was hield ik ze niet aan, maar gaf ze de kans om door te reizen. Ik kon slecht tegen de diensttijd. Als je een baan als onderwijzer vond in Amsterdam of een andere grote stad mocht je na twaalf maanden uit dienst. Ik solliciteerde in Amsterdam-Osdorp en ik had het geluk dat ik aangenomen werd. Het was een enorm grote school met 900 leerlingen, veelal oorspronkelijk afkomstig uit de binnenstad. Ik kreeg de derde klas. Het schoolhoofd zei op mijn eerste dag: ‘Jij bent een Drent, dus je bent ingetogen, maar denk erom dat als hier een ouder verhaal komt halen en gaat schelden, je direct een grote mond terug moet geven.’ Op mijn tweede dag kwam er al gelijk een moeder bij mij klagen en ik deed wat het schoolhoofd had geadviseerd. Het hielp! Ik heb bijna twee jaar in Amsterdam gewerkt en ik heb er een goede tijd gehad.”
Hoe verliep je verdere onderwijsloopbaan?
“Yt en ik hadden elkaar leren kennen op de kweekschool. Ik zat in de ontgroeningscommissie en Yt was eerstejaars. Het ontgroeningsfeest was bij de uitgaansgelegenheid bij de Oosterhesselerbrug. Het werd afgesloten met een kampvuur en toevallig liepen Yt en ik samen naar dat kampvuur. We raakten aan de praat en daarna kregen we verkering. Yt was na de kweekschool gaan werken op een kleine school in Exel, gemeente Laren. Ze zat in Lochem in de kost. In het onderwijsblad De Vacature zag ik een advertentie staan voor een school in Eibergen. Het hoofd daar was een zwager van een caféhouder in Coevorden, waar wij in de middagpauzes altijd heengingen. Ik heb die caféhouder gebeld en gevraagd of hij wat voor me wilde doen. Hij belde zijn zwager en zei dat hij aan mij een goeie zou hebben en dat ik ook kon voetballen, dat was een pluspunt. Een delegatie uit Eibergen kwam bij mij op school in Amsterdam kijken hoe ik lesgaf en ik werd aangenomen.
In Eibergen heb ik een heel goede tijd gehad. Ik ben daar na twee jaar schoolhoofd geworden, ik was 26. Ik hield ervan om dingen te organiseren en initiatieven te nemen. Mijn ideeën over het onderwijs kon ik goed kwijt. Net als mijn ouders ben ik altijd een vurig voorstander geweest van openbaar onderwijs. Eén school voor alle kinderen. Wat me tegenstond in Eibergen was de concurrentiestrijd tussen de lagere scholen. Er waren negen lagere scholen, drie christelijk, drie katholiek en drie openbaar.
Yt en ik kregen een gezin; onze twee zoons zijn in Eibergen geboren. Op een gegeven moment werd de reis naar Eibergen voor onze ouders vanuit Westerbork en Odoorn bezwaarlijk en wij wilden wat dichter bij ze in de buurt gaan wonen. Ik zag de vacature in Dalen en ik zag dat hier maar één school was. Dat was mijn ideaal: niet apart maar samen. In 1978, ik was 33, zijn we in Dalen gekomen. De kleuterschool was toen nog apart. We hebben het aantal van 300 leerlingen bereikt, ik heb de tiende leerkracht aangenomen. In 1985 werden we basisschool en kwam de kleuterschool erbij. Het hoogste leerlingenaantal dat we bereikten was 440. Vanaf de eerste dag heb ik mijn best gedaan om gestalte te geven aan de openbare schoolgedachte: één school voor kinderen van alle gezindten. Dat hield ook in dat er op school naar keuze godsdienstles werd gegeven voor alle gezindten: protestants, katholiek en humanistisch. We hebben steeds bewust ingezet op de oecumenische gedachte. Onder de ouders was daar ook een goed draagvlak voor.
Ik ben dertien jaar schoolleider geweest in Dalen. Toen had ik mijn ei wel zo’n beetje gelegd en ik had het gevoel dat het goed zou zijn dat er iemand kwam met frisse ideeën. Toen ik 48 was ben ik als coördinator onderwijs gaan werken bij de Stichting Onderwijsvoorrang Zuidoost Drenthe. Deze stichting richtte zich op kinderen in achterstandssituaties, vooral in de veenkoloniale gebieden. Ik heb een instrument ontwikkeld, gericht op de interne kwaliteitsbewaking binnen de school. Ik kreeg de kans om dat landelijk uit te dragen. In 2004 heb ik afscheid genomen en samen met onze zoon Serge adviesbureau Beekwadraat opgezet. Daarmee heb ik nog tien jaar als zelfstandige advieswerk op scholen gedaan. Het had effect, want scholen die gebruik gingen maken van het kwaliteitsinstrument raakten na inspectiebezoek doorgaans het stempel ‘zwakke school’ kwijt. Die laatste tien jaar van mijn werkzame leven vond ik heel leuk, omdat ik veel vrijheid had en kon kiezen wat ik ging doen.”
Herinner je je iemand die indruk op je maakte?
“Ik heb bewondering voor mensen als Martin Luther King en Nelson Mandela, die vechten voor mensenrechten en zich inzetten voor vrede. Mensen die de gedachte uitdragen dat er een plek is voor iedereen. Wat veel indruk op me heeft gemaakt was de situatie van de Molukkers. Als kind zag ik hoe schrijnend de leefomstandigheden van de Molukkers in kamp Schattenberg bij Westerbork waren: jarenlang verbleven ze in armzalige woningen, kleine leefruimtes, matige hygiëne. Later ben ik steeds beter gaan begrijpen hoe schandalig die mensen behandeld zijn door Nederland. Ik herinner me de schok ook nog goed, bij de treinkapingen en de schoolbezetting.”
Wat waren belangrijke gebeurtenissen in je leven en hoe ga je daarmee om?
“Allereerst de geboorte van onze twee zoons. Ze hebben allebei een leuk gezin en daar zijn we heel gelukkig mee. We zien met plezier de kleinkinderen opgroeien en dat gaat allemaal goed.
Verdrietige gebeurtenissen waren het overlijden van onze ouders. Mijn vader is 70 jaar geworden. We waren met de hele familie op zijn verjaardagsfeest. Vader zei: “Dit was de mooiste dag van mijn leven.” Toen we na het feest thuiskwamen kregen we het bericht dat hij was overleden. Mijn moeder is 80 jaar geworden. Haar overlijden was ook heel onverwacht; ze was boodschappen aan het doen en plotseling viel ze neer achter het winkelwagentje, ze overleed direct. Het was op de verjaardag van een van onze zoons. Van haar overlijden ben ik erg verdrietig geweest, waarschijnlijk omdat ik me met haar sterk verbonden voelde.”
Waar kun je je zorgen om maken?
“Wat me erg bezighoudt en wat me verdrietig kan maken is de verrechtsing van de maatschappij en de onverdraagzaamheid. Het raakt me dat mensen niet meer in staat zijn om het algemeen belang te zien in plaats van het eigenbelang. Als je ziet hoe mensen reageren op de social media!
Ik wijs elke vorm van extremisme af. Protesteren is een grondrecht, maar de extreme vormen zoals bij sommige acties van boeren of van Extinction Rebellion of van tegenstanders van AZC’s vind ik niet kunnen. Hoe machteloos en geëmotioneerd de protesteerders zich ook voelen, de wetten gelden voor iedereen en als je daar overheen gaat moet je de consequenties accepteren. Het is nu eenmaal zo dat je niet altijd gelijk kunt krijgen.
Wat me ook zorgen baart is dat er wereldleiders zijn die hun macht op een volstrekt verkeerde manier gebruiken.
Waar dit allemaal heengaat en in wat voor wereld onze kleinkinderen straks opgroeien, daar kan ik me soms wel wat somber over voelen.”
Wat is je levensinstelling?
“Ik heb altijd gezocht naar positieve dingen om te doen, dingen die mensen verbinden en dat wil ik graag blijven doen. Daar ben ik beter in dan in bekritiseren of ruzie maken, ik ben conflictmijdend en ga ruzie uit de weg.“
In 2022 kreeg Roelof een koninklijke onderscheiding voor zijn jarenlange inzet bij tal van sociaal-culturele organisaties en activiteiten in Dalen, bijvoorbeeld de VVV, het Rode Kruis, In Dalen Uit, de bibliotheek, Duo-fietsen, de Dorpsvisie, de Wandelwerkgroep, de werkgroep Verkeer, Vervoer en Veiligheid, het opruimen van zwerfvuil.
Daarom vragen we hem:
Hoe vond je het om een koninklijke onderscheiding te krijgen?
“Eerlijk gezegd heb ik daar niet zoveel mee. Als ze het me van tevoren hadden gevraagd had ik geweigerd. Er zijn zoveel mensen die heel veel doen. Ik heb niets gedaan dat ik zelf niet leuk vind en ik heb niets alleen gedaan. Mijn drijfveer is altijd geweest om Dalen iets leuker te maken. Dus eigenlijk durfde ik de onderscheiding niet te weigeren. De waardering vind ik wel fijn.”
Waarvan geniet je in het leven?
“Yt en ik genieten van het contact met de kinderen en hun gezinnen. Ze wonen niet dichtbij; in Groningen en Glimmen. Het is geweldig om iets samen met de kleinkinderen te doen. Ze zijn nu 18, 17 en 16 jaar. Toen ik 80 werd, kreeg ik een boek met bijdragen van alle mensen die op het verjaardagsfeest waren, dat had mijn kleindochter georganiseerd. Vorig jaar hadden we een bijzonder weekend samen met onze beide zoons. Zij hebben ons uitvoerig geïnterviewd en we zijn met hen samen naar Westerbork en Odoorn geweest om de plekken uit onze jeugd te laten zien.
Ik beleef veel plezier aan mijn vrijwilligersactiviteiten. Om een voorbeeld te geven: ik zit in de Wandelwerkgroep hier in Dalen, dat is ongelooflijk leuk. Je ziet onmiddellijk resultaat. We hebben inmiddels zeven wandelroutes gemaakt en die onderhouden we ook met zorg. Hier in Dalen is veel vrijwilligersinzet en dat is vrij uniek. Volgens mij is het een van de redenen waarom mensen hier graag wonen.
Yt en ik gaan graag met de caravan op pad. Dat is heerlijk, want dan hoef ik helemaal niks. Als we thuis zijn heb ik toch vaak het gevoel dat ik wat moet.
Ik lees veel, ongeveer een boek per week. Ik heb een brede belangstelling, dus er is altijd wel een boeiend boek voor me.
Iedere ochtend doe ik ochtendgymnastiek en ik ga iedere week naar de sportschool, maar eerlijk gezegd geniet ik daar niet van, ik doe het omdat het goed is. Bijna vier jaar geleden heb ik een hartoperatie gehad en kreeg ik omleidingen. Ik wil nog graag zeggen dat ik het aan Yt te danken heb dat ik zo gezond ben. Yt kookt gezond en heel lekker en samen wandelen we veel. Ik vind het heel bijzonder dat Yt en ik elkaar op de kweekschool leerden kennen en nu al 64 jaar samen zijn.”
Roelof Beek
Geboren in 1944 in Westerbork
Woont sinds 1978 in Dalen
Beroep: onderwijzer, schoolleider en onderwijsadviseur
Familie: twee zoons, twee schoondochters, drie kleinkinderen en een zus
Burgerlijke staat: gehuwd met Yt Beek-Kruize





