Kindergedicht: OMA’s

OMA’S

Ze wacht op me
met perzikwangen, hemelogen, glinsterende
rimpeltoet.

Haar stoel is van fluweel.
Opa’s zetel staat maar
leeggeleefd, doodstil. Ik mag er in.

Stoelen willen benen en een kont
om tegenaan te duwen. Leeg
zijn ze te veel wie er ooit zat.

Ik kus haar veertjesvel, vertel
hoe papa dit en hoe ik dat
en hoe hij ‘nee’. Kind, zegt ze, kind.

Mijn kwaadheid smelt als hagel
In de plooitjes van haar mond,
Het kamerhaventje, de stoel, de thee.

Oma’s maken
kinderen
weer heel.

DIET GROOTMANS